Recentere cijfers dan de CBS-analyse
Het CBS maakte in 2024 al een analyse van de gevolgen van een strengere referte-eis, op basis van de WW-instroom in 2022 en 2023. UWV baseert de nieuwe berekening op WW-gerechtigden die in 2024 en 2025 werkloos werden. De uitkomst is voor beide jaren vrijwel gelijk: ongeveer 12 procent zou buiten de boot vallen.
Cijfers zijn een indicatie
Bij de cijfers horen kanttekeningen. De loonaangifte van werkgevers bevat alleen het aantal uren per aangiftetijdvak en niet per week, dus UWV verdeelt de verloonde uren evenredig over de weken. Ook is een vereenvoudigde berekening gebruikt die afwijkt van de uitvoeringspraktijk: er is alleen gekeken naar verloonde uren in de 36 of 52 weken voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag. Uitzonderingen zoals een verlengde referteperiode door ziekte of arbeidsongeschiktheid zijn niet meegenomen.
Gemiddeld WW-recht van 12 naar 7 maanden
UWV berekende ook wat het WW-recht in 2025 zou zijn geweest bij een maximale duur van 12 maanden en een opbouw van een halve maand per jaar arbeidsverleden. Het gemiddelde toegekende WW-recht zou dan dalen van 12 naar 7 maanden. Van alle lopende WW-uitkeringen in maart 2026 was 36 procent naast de uitkering werkzaam in loondienst; 64 procent was dat niet.
Plannen voorlopig niet in deze vorm
In het coalitieakkoord staat dat de WW-uitkering in het begin hoger wordt en wordt verkort naar één jaar, met strengere eisen aan opbouw en verzilvering van rechten. De minister geeft aan dat het kabinet de voorstellen voor de WW en de WIA voorlopig niet in de voorgestelde vorm doorzet. Op 1 september werd bovendien bekend dat de verkorting van de WW-duur van twee naar een jaar wordt uitgesteld.
Lees het volledige artikel bij Salaris Vanmorgen.