Cahier 25 – Volgend Sturen
4.3 Opleiden op maat

Toelichting

Het opleidingsniveau is een startkwalificatie (mbo-2), omdat de kandidaat daarmee meer kans heeft op een baan. Een startkwalificatie behalen is echter geen eis. Het gaat erom hoever iemand kan komen en er alles aan doen om te voorkomen dat hij of zij met de opleiding stopt. Het leervermogen van de student is dus leidend en niet het systeem van de opleiding. In de opleiding wordt daarvoor ruimte gemaakt. Kenmerkend is:

  • Het tempo van de opleiding: twee jaar in plaats van één jaar.

  • Een vaste lesdag met een vaste docent die alle vakken geeft (soms is daarbij een vakdocent aanwezig). Dit is nodig om rust te creëren.

  • De concentratiespanne van de studenten volgen en vaker pauzeren. Geen uur lesgeven bij een concentratiespanne van een half uur. Na drie maanden is dit vaak al niet meer nodig en willen de leerlingen zelf ook door met de les.

  • De studenten veel bevestiging geven in wat ze kunnen en wat goed gaat.

  • Veel individuele opdrachten geven en geen strakke inlevertermijnen hanteren. De ene student leert nu eenmaal veel sneller dan de andere student. Bij het examen moeten alle opdrachten wel ingeleverd zijn.

  • De lesdag positief afsluiten. Dit is de uitnodiging voor de volgende lesdag.

Het eerste opleidingsjaar is in deze vorm cruciaal. De ervaring leert dat na ongeveer vijftien tot achttien maanden de verschillen tussen studenten kleiner worden en het niveau als geheel stijgt. Er lopen dan minder studenten achter en ze gaan elkaar ook helpen. Een aantal deelnemers zou tijdens het tweede jaar waarschijnlijk ook in een reguliere onderwijsvorm kunnen meekomen.

De opleidingsinstelling bepaalt welke docent de lessen geeft. Soms blijkt dat de logistiek van de opleiding leidend is bij de keuze van de docent (wie is beschikbaar?) in plaats van zijn of haar competenties en motivatie. Dat is een valkuil. De docent moet namelijk wel op een andere manier gaan werken en openstaan voor feedback. Tijdens de opleiding hebben de docent en regiocoördinator regelmatig overleg over problemen in de groep (groepsdynamiek) en individuele studenten. Het komt nogal eens voor dat de docent bij lastige situaties terugvalt op oude routines (dit is voor hem ‘normaal’ gedrag). Hij stelt bijvoorbeeld het diploma centraal, geeft straf als studenten te laat komen en/of verklaart gedrag in niet-kunnen terwijl de opdracht ook te vaag kan zijn of de student te weinig ruimte krijgt. Sommige zaken worden bij de docent weggehaald, zoals gedoe in de groep omdat studenten vriendjes van elkaar afpakken.

KADER 4.3 WERKINSTRUCTIES

  • Maak kennis met de docent en bespreek het gedachtegoed van de methodiek, de stappen in de opleiding en het proces van beoordelen.1

  • Zorg ervoor dat je aan het einde van elke lesdag aanwezig bent in de klas en bespreek voorkomende problemen (dit is vooral in het eerste jaar nodig). Waarborg ook de positieve afsluiting van de lesdag.

  • Bespreek regelmatig met de docent het groepsproces, de voortgang van individuele studenten en mogelijke oplossingen voor issues die zich voordoen.

  • Ontlast de docent en haal individuele studenten met storend gedrag uit de groep. Zeg bijvoorbeeld tegen de student: ‘Ik wil jou wel, maar ik wil dat gedrag niet. Daar hebben anderen last van. Welke afspraken kunnen we hierover maken?’

  • Grijp in als het niet goed gaat en als de docent niet geschikt is voor de manier van werk

1 

Als het goed is, was de docent al betrokken bij het op maat maken van de opleiding.