Cahier 25 – Volgend Sturen
7.2 Als mensen doen wat ze kunnen, ontstaat er ruimte om te groeien

Toelichting

Arbeidsdeskundigen werken vaak volgens een voorgeschreven traject of protocol waar mensen zich aan moeten houden. Wat er gebeurt, moet daar dan precies in passen. Een protocol geeft zeker houvast, maar je neemt wel de regie over en mist bij cliënten wat ze kunnen. Dit geldt ook voor het leersysteem. Het leersysteem wil het beheersbaar houden en daarom moet de student een bepaalde route volgen. Bij het principe van Volgend Sturen is de route echter niet belangrijk. Het gaat om de stappen die iemand zet. Wanneer je begint met doen wat vlakbij binnen je bereik ligt, kun je uiteindelijk ook het diploma halen.

Volgend sturen betekent overigens niet dat je op je handen moet zitten. Als de cliënt bijvoorbeeld niet weet wat de afspraken zijn in termen van uitvoerbare activiteiten, kan het alle kanten opgaan. Vooral in het begin is het hard werken. Later neemt de inspanning af.

Vaak krijgen cliënten een taak aangereikt die te ingewikkeld is. Die moeilijke taak moet dan teruggebracht worden naar een uitvoerbare activiteit. Daarom is het de kunst om de juiste vragen te stellen en niet zelf met de antwoorden te komen. Samen zoeken naar de ruimte die groot genoeg is om te kunnen bewegen en klein genoeg zodat het veilig is. Als iemand in het begin alleen punten kan slijpen, begint hij met punten slijpen. Als de cliënt vervolgens ervaart dat hij het kan en positieve reacties krijgt, bevordert dit de intrinsieke motivatie. En dan komt er ook ruimte voor een volgende stap.

Groei is echter geen noodzaak, maar een uitnodiging. Anders komt er druk op. Groei is wel een logisch gevolg van het proces. Het groeitempo om wat meer te gaan doen, verschilt per persoon. Soms zet de cliënt twee stappen vooruit en één stap achteruit. Gaandeweg wil iedereen echter meer kunnen van de functiebeschrijving.

KADER 7.2 WERKINSTRUCTIES

  • Geef de cliënt het gevoel dat hij iets kan door wat voor hem normaal gedrag is te benoemen en expliciet te maken. Kijk daarvoor heel goed naar het individu en probeer antwoord te krijgen op de vraag: wie ben jij, wat kan jij?

  • Als de cliënt denkt dat hij niets kan, vraag dan: ‘Hoe ben je hier dan gekomen, en wat heb je daarvoor gedaan?’

  • Wees duidelijk en kies je woorden zorgvuldig om de positie scherp te maken. Zeg niet: ‘We gaan uit van wat jij wél kunt’, maar: ‘We gaan uit van wat jij kúnt.’

  • Stel vragen zonder oordelen en zoek met de ander naar de ruimte om te groeien. Zeg bijvoorbeeld: ‘Dit doe je nu, wat zou je nog meer willen doen?’. Iedereen heeft nog wel een taak of activiteit die hij ook graag zou willen doen.

  • Als de cliënt een taak moeilijk vindt of steeds uitstelt, probeer dan achter de oorzaak te komen. Ga er niet in mee als iemand het moeilijk vindt, maar neem het wel serieus.

  • Buig een moeilijke taak of een negatieve verwachting om door er een uitvoerbare activiteit en/of een afspraak over te maken. Op die manier maak je het veilig.

  • Nodig de cliënt uit om de activiteit te doen, maar leg er geen druk op.