Cahier 25 – Volgend Sturen
4.5 Betrekken van de omgeving

Toelichting

Het is niet vanzelfsprekend dat mensen groeien of veranderen als hun omgeving niet meedoet (denk aan ouders, hulpverleners, partner, eventuele kinderen, oud-leerkrachten vanuit het VSO/PRO, etc.). De omgeving is namelijk vaak mede-veroorzaker van een belemmering. Denk aan:

  • Een zorgassistent heeft schulden of een verslaving en de omgeving houdt dit in stand.

  • Een zorgassistent heeft voorafgaand aan de werkdag een zorgtaak, waardoor hij of zij niet op tijd kan komen.

  • Vanuit de cultuur wordt vaak verwacht dat de zorgassistent als oudste dochter voor het gezin gaat zorgen als de moeder overlijdt.

  • Een moeder belt steeds omdat ze van mening is dat haar dochter veel meer kan dan eruit komt of dat er juist te veel van haar gevraagd wordt.

De regiocoördinator bemoeit zich nadrukkelijk ook met de omgeving als er zich problemen voordoen die het traject belemmeren. Een interventie kan nodig zijn om ruimte voor verandering te creëren. Dit kost veel tijd, maar het levert ook veel op. Wat er moet gebeuren is afhankelijk van de situatie.

Het is belangrijk dat de jobcoach en coördinator goed weten waar de grens ligt tussen zelf doen en doorverwijzen. Ook moeten ze er rekening mee houden dat doorverwijzen bij een hulpvraag door de cliënt ervaren kan worden als ‘jij ook al niet’. Niet loslaten en betrokkenheid blijven tonen, is daarom een belangrijk principe in de methodiek. Het is overigens ook mogelijk dat het systeem in de omgeving van de zorgassistent goed functioneert en dat geen verdere actie nodig is.

KADER 4.5 WERKINSTRUCTIES

  • Breng alle betrokkenen rond de cliënt in kaart en geef daarbij aan wie wat doet: ouders, partner, eventuele kinderen, hulpverleners, oud-leerkrachten vanuit het VSO/PRO in de rol van verwijzer, etc.

  • Schrap het teveel aan bemoeienis met de cliënt. Voer hierover met de persoon in kwestie een gesprek en leg uit waarom hij of zij zich beter kan terugtrekken, bijvoorbeeld omdat er sprake is van een drama-driehoek.

  • Zorg dat er bij problemen die het traject belemmeren een interventie komt. Dit om ruimte voor verandering te creëren. Wat er nodig is, verschilt per situatie.

  • Ga niet zelf een hulpvraag invullen. Dat is een valkuil. Als het gedrag niet meer te beïnvloeden is, verwijs dan door naar de hulpverlening.

  • Kom in een gesprek steeds terug op het onderwerp. Laat de zorgassistent of ouder er geen andere dingen bijhalen. Herhaal de boodschap in dezelfde woorden en op dezelfde toon.

  • Blijf je betrokkenheid tonen en laat de cliënt niet los. Je kunt afscheid nemen als je rol over is, maar dat is iets anders dan weglopen.