Afname belastbaarheid bij doof geboren werknemer van middelbare leeftijd
Antwoorden van de commentatoren op de kennisvragen

Vooraf: er zijn meerdere groepen in het doofheidspectrum met de nodige significante verschillen:

  • Vroegdoofheid, prelinguaal (doof geborenen).

  • Plotsdoofheid.

  • Laatdoofheid.

  • Slechthorendheid.

  • Tinnitus, Meniere, hyperacusis, brughoektumor.

In deze casus gaat het over een vroegdoof persoon, zonder kennis van de Nederlandse taal (woordenschat, spelling, grammatica). De GGMD heeft antwoord gegeven op de kennis- en leervragen vanuit de algemeen bekende gegevens voor doof geborenen. Het zijn geen antwoorden gericht op de specifieke situatie van de persoon. Het is ook geen belastbaarheidbeoordeling in het kader van claimbeoordeling zoals een verzekeringsarts die uitvoert.

Vraag 1. Verandert de belastbaarheid ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren bij een doof geboren werknemer naarmate deze ouder wordt significant anders dan bij een niet-doof geboren werknemer?

Ja, deze verandert. Op meerdere aspecten van het persoonlijke en sociaal functioneren zijn er significante verschillen tussen een doof geboren werknemer naarmate deze ouder wordt en een niet-doof geboren werknemer. Bij vraag 2 wordt nader ingegaan op deze verschillen voor vroegdoven (prelinguaal).

Vraag 2. Zo ja, om welke aspecten gaat het en wat zijn de beperkende gevolgen voor arbeid?

Op onderstaande aspecten van het persoonlijk en sociaal functioneren zijn er significante verschillen in verminderde belastbaarheid tussen vroegdoven (prelinguaal) en niet-doof geboren personen.

Persoonlijk functioneren

  • Concentreren en aandacht verdelen

  • Herinneren

  • Inzicht in eigen kunnen

  • Doelmatig handelen

  • Zelfstandig handelen

  • Handelingstempo (psychisch bepaald)

  • Afleiding en storingen

  • Flexibiliteit

  • Stress

  • Risico, gevaarlijke situaties

  • Probleem oplossen

Sociaal functioneren

  • Zien

  • Horen

  • Spreken

  • Lezen en schrijven

  • Omgaan met emoties

  • Omgaan met conflicten

  • Conflicterende belangen

  • Omgaan met leidinggevenden

Vraag 3. Is er een relatie tussen duurbelasting op oudere leeftijd en doof geboren zijn (voornamelijk bij functies waarbij de belasting gelegen is op persoonlijk en sociaal functioneren)? Zo ja, wat is deze relatie?

Ja, er is een relatie tussen duurbelasting op oudere leeftijd en doof geboren zijn. Binnen de praktijk van maatschappelijk werk voor doven/slechthorenden is duidelijk waarneembaar dat ouder wordende cliënten meer moeite hebben om het werk, dat ze al jaren redelijk uitoefenden, vol te houden.

Als het gaat om de relatie tussen doofheid en duurbelasting in het werk zijn vooral deze aspecten van belang:

  • de coping van de persoon zelf.

  • de vereisten in de functie.

  • arbeidsomgeving.

  • arbeidsverhoudingen.

In algemene zin lijken de flexibiliteit en draagkracht, maar ook de acceptatie van dove mensen met de eigen situatie met het klimmen der jaren versneld af te nemen. Oudere dove mensen haken vaker af in het contact met anderen, met als gevolg: minder communicatie, vereenzaming, gebrek aan zelfvertrouwen en psychische problemen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de kans dat doven/slechthorenden psychische klachten krijgen drie keer groter is dan hun horende medemens, Er is vaak sprake van angsten op sociaal gebied.

Doven moeten altijd bovenmatig veel energie steken in het communicatieproces. Ze moeten vaak zelf initiatief nemen om de communicatie met horende mensen enigszins redelijk te laten verlopen. Ze moeten tips geven, keer op keer, over geluid, licht, volume, afstand enz. De opbrengst van deze inzet richting horenden is vaak beperkt. Communicatie is daarmee een grote stresserende factor voor doven. Dit speelt eens te meer op de werkvloer. De communicatie met collega’s en klanten vraagt veel extra energie van dove mensen, ook omdat er cultuurverschillen zijn die uitgelegd moeten worden. Hoe communiceer je als dove met een horende, hoe communiceer je als horende met een dove? Er is vaak ook extra energie nodig voor doven die spraakafzien beheersen. Bij spraakafzien krijgt een doof persoon ongeveer 30% van het gesprek mee - zeer vermoeiend en daarmee een belangrijk aspect in het persoonlijk functioneren van doven. Dit blijft vaak onderbelicht bij bedrijfsartsen en verzekeringsartsen.

Het komt regelmatig voor dat de dove persoon zichzelf onder- of overschat in de energie die de communicatie vraagt. Het is daarom bij doof geborenen zeer belangrijk dat werkzaamheden (competenties) zijn afgestemd op de kwaliteiten, vaardigheden en eigenschappen van de persoon. Een functie onder of boven het niveau zal bij een doof geborene mede vanwege de communicatie die dit met zich meebrengt gemiddeld sneller tot stress leiden.

Vraag 4. Is het bij bovenstaande vragen nog van belang of iemand doof geboren is of doof wordt op latere leeftijd?

Ja, dat is zeker van belang. Er zijn duidelijke verschillen tussen doof geborenen en mensen die op latere leeftijd doof zijn geworden. Deze verschillen hebben te maken met zaken als communicatie, voorzieningen, overschakelen van geluid naar visueel, stress, angst, onderschatting en overschatting, en copingstrategie.

Een doof geborene of een vroegdoof persoon:

- heeft niets tot weinig geleerd van de Nederlandse taal, spelling en grammatica. Hij of zij krijgt van meet af aan in de horende wereld niets mee van zaken als TV, radio, werk, koffieapparaat, pauzes op het werk, gesprekken in horeca, stad, buiten, verjaardagen etc. Het betekent dat doof geborenen zich niets van deze andere wereld eigen hebben kunnen maken.

- vindt op schrift gestelde informatie zeer lastig omdat er een andere ‘taal’ gebezigd wordt. De informatievoorziening is anders (beduidend lager) dan voor een horende.

- valt onder de identiteit van een Dove (met hoofdletter) en leeft in de Dovencultuur.

Bij oudere vroegdoven komt hier bij dat zij vaak nog een internaatsopvoeding hebben genoten. Hierbij zijn sociale vaardigheden vaak niet optimaal ontwikkeld; er is dan ook vaker uitval op dat gebied. Ook de taalontwikkeling liet in die tijd - er werden nog nauwelijks gebaren gebruikt - te wensen over. Deze groep oudere vroegdoven heeft daarom vaak grote moeite met het geschreven woord. Dit leidt tot een informatieachterstand, wat zeer lastig is in een wereld die, mede door social media, overloopt van informatie. Veel van deze informatie is voor oudere doven en slechthorenden minder goed toegankelijk.

Plotsdoven hebben in hun opleiding en (werk)ervaring de Nederlandse taal geleerd. Hierdoor kunnen zij hun informatievoorziening, via de leesvorm, op orde houden. Deze groep heeft wel andere specifieke problemen:

  • ze hebben vaak te maken met een stapeling aan overgangsproblemen op de korte termijn. De communicatie valt weg, relaties staan onder druk, werken gaat niet meer, er volgt vaak afkeuring. Ook daalt het inkomen en vaak moet er ook verhuisd worden. Ook zijn er vaak moeizame medische trajecten met langdurig revalideren.

  • ze kennen geen gebarentaal, deze zal aangeleerd moeten worden.

  • ze kennen geen spraakafzien, dit moet aangeleerd worden. Er is dan vaak voor een bepaalde leerperiode geen communicatie met andere personen mogelijk, daarna wel weer.

Laatdoven hebben problemen als hierboven veel minder omdat zij gewend zijn aan een leven als horende. Zij hebben wel vaak grotere moeite met hun auditieve problemen en de acceptatie hiervan. Bij mensen die later hun gehoor verliezen komt ook vaker tinnitus (‘oorsuizen’) voor. Dit wordt als erg energieverslindend ervaren. Mensen komen niet aan hun rust toe omdat het slapen vaak belemmerd of verstoord wordt. Tinnitus geeft ook vaker psychische en psychiatrische problemen.

Drie tips tot slot:

  • Breng in kaart welke werkvoorzieningen kunnen worden ingezet om de werkneemster weer te laten werken (werkplekonderzoek/coach/één aanspreekpunt e.d.).

  • Onderzoek of het werk door middel van jobcarving passend te maken is.

  • Erken dat communicatie - en daardoor o.a. het minder flexibel kunnen werken – een probleem is dat groter wordt naarmate de cliënt ouder wordt. Probeer hier tijdig op in te springen door gezamenlijk beleid voor nu en in de toekomst te maken.